Thonet

 

Michael Thonet, zoon van een lederbewerker, leerde de stiel van schrijnwerker en vestigde zich in 1819 als zelfstandig meubelmaker in zijn geboortestad. Hij maakte stoelen, zetels en bedden in een conventionele Biedermeierstijl, doch zocht middelen om sneller en goedkoper te kunnen produceren en met minder verspilling aan materiaal.

Rond 1830 ontwikkelde hij een methode om meubels te maken van gebogen hout door dunne houten latjes in lijm te koken tot ze buigzaam werden. Bundels van deze latjes perste hij dan met een mal in vorm, om ze ten slotte met fineerhout te beleggen.

De "Bopparder stoelen" die hij zo maakte waren klassiek van vorm en verschilden niet van die van zijn collega's, maar Michael Thonet had al vroeg industriële ambitie: hij werkte op voorraad in plaats van uitsluitend op bestelling; hij kocht een molen om zijn eigen lijm te kunnen fabriceren, en hij vroeg patenten aan op zijn methode om hout te buigen met de bedoeling andere meubelmakers licenties te kunnen verkopen.

Uit vrees voor namaak en voor lekken bleef hij echter te vaag bij zijn patentaanvraag, waardoor zijn verzoek werd afgewezen omdat zijn werkmethode niet vernieuwend genoeg zou zijn. Michael Thonet bleef met schulden achter.

In 1841 toonde hij zijn creaties op een nijverheidstentoonstelling in Koblenz, waar ze opgemerkt werden door de Oostenrijkse kanselier Klemens von Metternich. Metternich gaf hem de raad naar Wenen te verhuizen, omdat Thonet in Boppard arm zou blijven, doch in een wereldstad als Wenen wellicht fortuin zou maken